De vrouw die van de aarde viel // 1

De vrouw die van de aarde viel is een multimediaal project over hoe je soms van iets weg moet rennen om het te kunnen omarmen. Charlotte Peys illustreert en Pim Cornelussen schrijft. De komende maand publiceert Kluger Hans elke week een aflevering van dit verhaal over hoe de verbeelding een schuilplaats voor de werkelijkheid kan zijn. Naast een prentenboek zal er ook een theatervoorstelling van gemaakt worden die in oktober 2018 in premiere gaat.


‘Hoe zullen we beginnen?’

‘Misschien gewoon bij de splitsing van het al?’

‘PATS BOEM!’

‘En toen was er de natuur,

met al zijn graslanden, hoogteverschillen, gespleten continenten,

gigantische watervlaktes en boomkruinen.’

‘Het toneel waarop de eerste mens zijn intrede doet.’

‘Onder de schuimende zon zet hij zijn eerste stapjes,

blote voeten in het fijne zand, witheet en stomend van verlangens.’

‘Wie die eerste mens ook was, hij hoefde zijn graf niet meer te graven,

de grote wildernis was hem al voor.’

‘Met snelle schreden zijn het broers en zussen die zich over de aarde verspreiden en zo proberen de dood voor te blijven.’

‘Soms vindt de mens ergens een dier waarmee het spreekt,

en slaat het daarna de kop in om het boven een vuur te hangen.’

‘PATS BOEM!’

‘Wie een zwarte kat zijn weg zag kruisen werd vervloekt.’

‘Wie een slang doodde werd de toekomst ingestuurd.’

‘Soms werd er gedanst om water uit de hemel te laten vallen.

Soms voelde men iets op een plek en noemde het heilig.’

‘Maar bovenal was het er leeg.’

‘Leeg?’

‘Ja…

Niet zomaar leeg.

Nee, het was er ingewikkeld leeg.’

‘Je liep maar wat rond tot je niet meer kon en dan was je blij als je ergens een droge plek vond waar je om een vuur kon gaan zitten.’

‘Als de avond viel zaten hele families rond dat ene vuur met hun handen voor zich uit gestrekt, hun handpalmen naar het vuur toe gedraaid. Tientallen ogen gericht op dat onophoudelijke flakkeren.’  

‘En rond dat vuur hoorde je altijd iets tikken. Een tong die zachtjes tegen een verhemelte aan tikte. Op het ritme van dat tikken begonnen dan figuren te dansen in het vuur.’

‘Als je goed keek kon je er leeuwen rond vrouwen zien dartelen, apen met kinderen zien spelen. Mannen reden er op de rug van mammoeten.’

‘Terwijl het tikken van tong naar tong sprong veranderde het ritme, totdat het geluid uit meerdere monden begon te klinken en er langzaam een melodie ontstond die rond het vuur omhoog wervelde en de nacht in werd gezongen. Daar, hoog boven hun hoofden, vervlogen de klanken in het duister.’

‘Als een stofwolkje?’

‘Ja, als een stofwolkje…’

 

De avond waarop we alles achter ons lieten, waren mijn zussen en ik zoals altijd naar buiten aan het kijken. Door het enige raam in onze slaapkamer zagen we een klein stukje sterrenhemel steeds donkerder worden. Uiteindelijk was het niets meer dan een zwart vierkant bezaaid met honderden, nee, duizenden lichtpuntjes. Alsof iemand er kriskras kristallen over had uitgestrooid. Daarboven hingen duizenden fonkelende juwelen. We hoefden maar onze duim en wijsvinger om een ster te plaatsen om hem uit het zwart te plukken.

We hadden de gewoonte om als we in bed lagen elkaar verhalen te vertellen. Deze avond stelden we ons voor hoe we ontsnapten aan sabeltandtijgers. We reden door de grenzeloze steppe op de rug van blauwe antilopes. We zagen vogels zo groot als olifanten boven onze hoofden schieten. Hoe avontuurlijk moest het leven geweest zijn in het begin der tijden! Buiten kraakten de bomen, af en toe zwiepte er een tak langs het raam om met een hoge noot onze dromen te doorbreken. Onze harten tikten zachtjes onder onze borst.

Niet ver van ons huis begon het bos. Onze moeder had ons ooit verteld dat er s’nachts schimmen tussen de stammen zwierven. Soms, als het laat was en onze woorden waren opgedroogd, verzamelden we ons met z’n drieën op mijn bed om samen naar het bos te gluren. Meestal zagen we niets, maar een enkele keer schoot er iets onherkenbaars voorbij en dan sloegen we samen achterover van de schrik. Daarna volgde meestal een onbedaarlijke lachbui.

Ook nu zaten we op mijn bed en keken naar die donkere vlek daar beneden. Mijn oudste zus, Elena, had de deken tot over haar neus opgetrokken. Daarboven bewogen haar ogen langzaam heen en weer, als een uil die op haar hoede was. Mijn andere zus had haar hoofd op mijn schouder gelegd en kneep af en toe hard in mijn hand. Zij heette Thalia. Ze had deze avond de meest wonderlijke verhalen verteld, maar nu was ze stil en ernstig geworden. Ik had mijn neus tegen het raam aan gedrukt, en blies met mijn adem een terugkerend wolkje over het glas. Buiten was de wind gaan liggen. Het leek alsof de wereld stil stond, op onze ademhaling na.

‘Hebben jullie ook niet het gevoel dat we nog nooit iets hebben meegemaakt?’, zei Thalia plotseling. Ik draaide mij om en keek haar aan. In het maanlicht leken haar ogen op de sterren aan de hemel. Ze keek naar buiten, naar iets dat zich niet in deze wereld leek te bevinden. Toen ze weer sprak klonk haar stem zwaar.

‘Iets dat het waard is om te vertellen?

Ik bedoel: Wij zijn nooit hoeven vluchten uit ons geboorteland, we zijn nog nooit betrapt bij een diefstal, we hebben zelfs nog nooit een echt gevecht meegemaakt.

Alle rampen lijken aan ons voorbij getrokken…

En bestaat het leven niet uit een aaneenschakeling van rampen?’

Ze slaakte een lange en diepe zucht. Een hele poos was het stil.

‘Hoe kunnen we nu zeggen dat we geleefd hebben!’.

Ik sloot mijn ogen en proefde de woorden die ze net had uitgesproken op mijn tong. Hoe kunnen we nu zeggen dat we geleefd hebben? Ik draaide ze om en om en fluisterde ze zachtjes voor me uit. Ik schreef ze met mijn adem op het raam, om ze daarna langzaam te laten verdwijnen. De woorden bleven hangen in de kamer, als een refrein dat los was gezongen van zijn lied. Hoe kunnen we nu zeggen dat we geleefd hebben? We hoorden hoe onze harten diep in ons tekeer gingen. Uren leken voorbij te gaan voordat er iemand weer wat zei.

Het was Elena die de stilte verbrak.

‘Laten we samen weggaan. We laten alles achter en vertrekken. Op naar iets waarvan we kunnen zeggen: dat heb ik meegemaakt, dat heb ik beleefd. Op naar ons verhaal.’

We keken alle drie nog steeds door het raam naar buiten. Er flitste een witte schim tussen de boomstammen, maar geen van ons was nog bang.

‘Je bedoelt echt weg? Als in verdwijnen?’, stamelde ik.

‘Op naar het einde van de wereld!’, jubelde Thalia opgewonden.

Voor ik er erg in had stonden we alle drie op de overloop en slopen stilletjes de trap af. Bij elke piep van een traptrede stonden we zo stil als een standbeeld om er zeker van te zijn dat niemand ons gehoord had. Zo daalden we trede per trede af totdat we alledrie hijgend in de hal stonden. Voor ons zagen we de gesloten buitendeur.

‘Misschien moeten we het huis in brand steken? Dan is het onveranderbaar, snap je. Dan kunnen we niet meer terug,’ mompelde Thalia in mijn oor.

‘Ja’, zei Elena. ‘Voordat er iets nieuws kan beginnen moet het oude eerst vernietigd worden.’

Ze sloop naar de keuken kwam terug met een doosje lucifers. Ze keek naar Thalia en knikte. Toen ze een lucifer langs de rand van het doosje schoof lichtte de hal op. Onze schaduwen werden levensgroot op de muren afgebeeld. Ze hield de lucifer onder een van de gordijnen die meteen vlam vatte. Met zijn drieën keken we naar het vuur dat zich razendsnel een weg vrat door het stoffen gordijn. De vlammen torenden woest boven ons uit. We grepen elkaars handen en slopen op onze tenen naar de voordeur terwijl achter ons de hal zich razendsnel met rook vulde.

Terwijl het huis achter onze rug uitbrandde liepen wij weg. Wij liepen weg zonder te weten waarheen, zonder te weten waarom. We waren die nacht nauwelijks te onderscheiden van de duisternis. Als je goed keek, heel erg goed keek, kon je drie vage figuren ontwaren, aszwart en verwilderd. We liepen zonder ook maar één maal om te kijken, terwijl om ons heen de lucht veranderde van zwart naar blauw en uiteindelijk oranje. We liepen en we zwegen. En al die tijd bonkte er iets tegen ons verhemelte. Het was ons hart.

Zo begon het.

Op de ochtend dat wij een langzaam verdwijnend stipje op de horizon werden.

Totdat je ons niet meer zag.

Totdat we helemaal verdwenen.


Charlotte Peys (°1987) studeerde cultuurwetenschappen en illustratie en woont en werkt momenteel in Gent. Ze studeerde af met een geïllustreerde dorpsmonografie over het kleine Noord-Kempische dorp Zondereigen. In 2016 debuteerde ze samen met Toon Delanote en Ruth Mellaerts met het prentenboek Soms ben ik een ontdekkingsreiziger, uitgegeven bij Lannoo. Charlotte illustreert om te onthouden, te verzamelen, te vertellen, te ordenen en te onderzoeken.

Pim Cornelussen (°1989) studeerde filosofie en theaterregie en woont in Gent. Hij studeerde af met een scriptie over utopisme in de 21e eeuw. Pim publiceert regelmatig poëzie en proza in literaire tijdschriften en is recensent en interviewer voor de Boekenkrant. Daarnaast was hij van 2013 – 2016 hoofdredacteur van Kluger Hans. Momenteel werkt hij als programmamaker voor Festival Cement en als schrijver voor zijn collectief dividu.

 

Dit bericht delen