De vrouw die van de aarde viel // 3

De vrouw die van de aarde viel is een multimediaal project over hoe je soms van iets weg moet rennen om het te kunnen omarmen. Charlotte Peys illustreert en Pim Cornelussen schrijft. De komende maand publiceert Kluger Hans elke week een aflevering van dit verhaal over hoe de verbeelding een schuilplaats voor de werkelijkheid kan zijn. Naast een prentenboek zal er ook een theatervoorstelling van gemaakt worden die in oktober 2018 in premiere gaat.


Tijdens de nacht hadden Elena en Thalia zich tegen mij aan gedrukt, en nu keken we samen omhoog. De lucht boven het bos waarnaast we in slaap waren gevallen zag zwart. Er vlogen zoveel vogels dat het niet mogelijk was er een te onderscheiden. Het was alsof we onder een vliegend dak terecht waren gekomen. Een dak dat zong, want de raven hadden samen een raspend lied ingezet.

‘Waarover zouden ze zingen?’, vroeg Elena.

Nog voordat we een antwoord hadden kunnen geven, hielden ze plotseling op. We hoorden alleen nog maar het klappen van hun vleugels, en een moment later vloog de zwerm uiteen. Eén voor één schoten de vogels naar beneden om in honderden bomen te landden. Plotsklaps was er een algehele stilte over het bos neergedaald. Het leek wel alsof het bos hen had opgeslokt.

‘Laten we gaan kijken’, zei Thalia.

We stonden op en liepen naar de bosrand toe. De bomen torenden tientallen meters boven ons uit. Onder het bladerdek zag het bos er donker en nat uit. Af en toe viel er een lichtstraaltje op een boomstam, waardoor de groeven in de stam als rimpels op een gezicht zichtbaar werden.

Met kleine stapjes betraden we het bos.

Het was er muisstil, alsof alles in het bos zijn adem inhield.

Totdat ik per ongeluk op een tak ging staan.

‘Krak!’, galmde het door het bos.

‘Ik hoor een tak, krak!’, weerkaatste het bos enkele tellen later terug.

We konden niet zien waar de stem vandaan kwam.

Ik trok mijn voet terug van de gebroken tak.

‘Krrrrrrak!’, raspte het vanuit een andere richting.

‘Misschien moeten we omkeren,’ mompelde ik richting mijn twee zussen.

Thalia schudde haar hoofd. Ze zette haar handen als een megafoon om haar mond. ‘Hallo!’ riep ze zo luid mogelijk. ‘Hallo!’ denderde het door het bos.

 

Maar niemand gaf antwoord.

 

We liepen verder, keken goed uit dat we onze voeten niet op iets konden zetten dat kon breken. Maar hoe dieper we het bos in gingen, hoe moeilijker het werd om te zien waar we konden staan. Plots hoorde ik naast me iets breken, en toen ik keek zag ik dat Elena op de grond lag.

‘Er loopt iemand die takken breekt,’ kraste het door het bos.

‘Nooit loopt hier iemand die takken breekt.’

Elena krabbelde snel overeind.

‘Kraaak!’ klonk er plotseling boven onze hoofden. ‘Waar gaat dat heen?’

Voordat we konden zien wie er had gesproken fladderde er iets weg.

‘Waar gaat dat naartoe? Wat moet dat hier?’ klonk er vanuit een andere kruin.

‘Krak en krak en krak,’ klonk er nu vanuit honderden kruinen.

‘Zo loopt alleen iemand die nooit in een bos loopt,’ fluisterde een raspende stem in mijn oor. Geschrokken deinsde ik achteruit.

‘We zijn op ontdekkingstocht’, bracht Elena bibberend uit.

‘Het donker trok ons aan. Het donker verbergt alles.’

‘Het donker verbergt alles, op drie paar ogen na,’ kraste iets achter ons.

‘Drie paar ogen glinsterend in het duister,’ viel een andere stem hem bij.

Er klonk instemmend gekras.

‘Wat moet er dan ontdekt worden?’

‘Om een verhaal te hebben, daarvoor moet je tochten maken. Lange en moeizame tochten,’ zei Thalia gedecideerd. ‘We zijn nog maar net begonnen.’

‘En wat denken jullie te vinden?’ vroeg een van de raven nieuwsgierig.

‘We lopen niet om te vinden. Wij zijn benieuwd naar wat er achter de horizon ligt.’

‘Ik kan je vertellen dat je er nooit zult raken,’ grinnikte een ander.

‘Hoe kunnen jullie dat nu weten,’ reageerde Elena geïrriteerd.

‘Wij weten dat,’ werd er fel terug gekrast.

‘Wij kunnen vanuit de lucht verder zien dan jullie grondwezens. Wij zien toekomst en verleden. Maar de afstand tot de horizon is onoverbrugbaar, zelfs voor ons.’

‘Misschien, misschien ook niet,’ antwoordde Thalia.

Daarop kwam er geen antwoord meer.

Er werd boven onze hoofden wat heen en weer gefladderd en we hoorden een hees overleg in de boomtoppen. Aan het scherpe geluid te horen leken ze ruzie te maken.

Ik zocht op de tast naar een van mijn zussen. Voordat we iets tegen elkaar konden zeggen kwam het overleg met een krachtig gefluit tot een einde.

‘In ieder geval. Voordat jullie door kunnen lopen moeten jullie betalen,’ stelde één van de raven.

‘Betalen?’ vroegen we in koor.

‘Maar we hebben niets op zak.’

‘Een paar ogen is genoeg,’ antwoordde iemand.

‘Wij houden van glinsterende dingen.’

‘Een paar ogen?’ vroeg Elena verrast.

Vanuit verschillende boomkruinen kwam er gekras.

‘Een paar ogen of jullie komen hier niet meer weg.’

‘We moeten hier even over nadenken,’ antwoordde Elena.

Ze nam Thalia en mij bij haar. ‘Wat moeten we doen,’ vroeg ik haar.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde ze. ‘We kunnen hier moeilijk weg.’

‘We moeten nu eenmaal opofferingen maken,’ zei Thalia. ‘Dat hoort erbij. Zonder opofferingen geen verhaal.’

‘Maar is dat niet een beetje teveel gruwel voor ons verhaal?’ antwoordde ik.

‘Betalen nu,’ klonk het uit verschillende boomkruinen.

‘Ik denk dat we niet anders kunnen,’ zei Elena. ‘Anders komen we nooit weg uit deze duisternis.’

‘Maar als iemand zijn ogen inlevert komt die nooit meer weg uit deze duisternis,’ zei ik. Bij de gedachte alleen al kreeg ik kippenvel. ‘Bovendien, wie moet er dan zijn ogen inleveren?’

Boven onze hoofden hoorden we wat fladderen.

‘We beginnen een beetje ongeduldig te worden,’ fluisterde een stem onverwacht dichtbij.

‘Geef ons nog een minuutje,’ antwoordde Elena.

Er klonk een nors gekir.

‘Ik weet het,’ fluisterde Thalia. ‘We loten erom!’

Ze hurkte, zocht wat op de grond en stond toen weer op.

‘Hier, drie takjes,’ zei ze.  ‘Wie de kortste trekt, verliest zijn ogen.’

‘Ik zal ze uitpikken!’ raspte een ongeduldige kraai. ‘Dat lijkt mij het makkelijkste.’

‘We moeten eerst nog kiezen!’ riep ik naar boven.

‘We moeten eerst nog een takje kiezen!’

Thalia hield de takjes in haar vuist die ze voor zich uit stak.

We keken elkaar aan en Elena en ik pakten beiden een takje.

Omdat het zo donker was moesten we heel goed kijken om te zien welk takje het kortste was, maar hoe lang we ook keken, we konden niet zien wie had verloren.

‘Ze zijn even lang!’ stamelde ik tenslotte.

‘Nee hoor. De jouwe is korter!’ antwoordde Thalia terwijl ik een licht gekraak hoorde.

‘Dat is…’ stotterde ik, ‘Hoe kan je…’

‘Jouw ogen,’ zei Elena snel. ‘Het zijn jouw ogen.’


Charlotte Peys (°1987) studeerde cultuurwetenschappen en illustratie en woont en werkt momenteel in Gent. Ze studeerde af met een geïllustreerde dorpsmonografie over het kleine Noord-Kempische dorp Zondereigen. In 2016 debuteerde ze samen met Toon Delanote en Ruth Mellaerts met het prentenboek Soms ben ik een ontdekkingsreiziger, uitgegeven bij Lannoo. Charlotte illustreert om te onthouden, te verzamelen, te vertellen, te ordenen en te onderzoeken.

Pim Cornelussen (°1989) studeerde filosofie en theaterregie en woont in Gent. Hij studeerde af met een scriptie over utopisme in de 21e eeuw. Pim publiceert regelmatig poëzie en proza in literaire tijdschriften en is recensent en interviewer voor de Boekenkrant. Daarnaast was hij van 2013 – 2016 hoofdredacteur van Kluger Hans. Momenteel werkt hij als programmamaker voor Festival Cement en als schrijver voor zijn collectief dividu.

Dit bericht delen