Pallaksch: het rumoer en de stilte

Nog tot eind mei loopt in het museum Dr. Guislain de tentoonstelling “Een andere wereld”, die laat zien hoe vanaf de negentiende eeuw, parallel met een groeiende wetenschappelijke belangstelling voor de werking van het de menselijke psyche, ook binnen de kunsten meer aandacht gaat naar de wonderlijke werking van onze fantasie. Zowel de verbeelding die nog min of meer binnen de lijntjes kleurt van wat maatschappelijk aanvaard wordt, als de waan die ontspoort en zich niets aantrekt van wat bestaat en/of toegelaten wordt. De tentoonstelling start met J.J. Grandville, wiens tekeningen de gekste metamorfoses en combinaties laten zien: insecten met paardenkoppen, mensmachines, peerviolen en selderfagotten… Interessant om zien is hoe de aanvankelijke maatschappijkritische inslag van Grandeville’s groteske tekeningen gaandeweg afvlakt en verwordt tot aanvaardbaar amusement en louter grappige karikaturen.
Grandville wordt vaak beschouwd als een voorloper van de surrealisten, die de exploratie van de onbekende, onbewuste wegen en dwaalwegen van het menselijke brein tot hun hoofdthema maakten. Werkwijzen als Breton’s vrije associatie en Dali’s kritisch-paranoïde methode willen het artistieke potentieel van onbewuste regionen van onze geest aanboren, tot in de waanzin toe. De surrealisten waren dan ook de eersten die aandacht hadden voor de “art brut”, kunst van krankzinnigen. Vandaag wordt vaker de engelse term “outsider art” gebruikt, die wat breder is en ook slaat op kunstenaars die zich buiten het officiële circuit bevonden of bevinden. Een mooi voorbeeld van dergelijke outsider art is de zaal gewijd aan Gustav Mesmer (1903-1994), een gewezen monnik en psychiatrisch patient die met zijn tekeningen, geschriften, vliegfietsen en andere fantastische uitvindingen uitdrukking gaf aan zijn levenslang durend verlangen te kunnen vliegen.
Het voorbeeld van Mesmer is een mooi voorbeeld van hoe een steeds verder woekerende obsessie kan zorgen voor een niet aflatende stroom van creativiteit. Een ander fenomeen, dat ook vaak een onderdeel is van de waanzin, is echter de verstomming, het vervallen in stilzwijgen, zoals we dat bij Hölderlin en Nietzche zien. Hier zorgt de waanzin niet voor een stroom van creatieve productiviteit en kunstwerken over deze of andere werelden, maar slorpt taal en wereld op als een zwart gat.
Er is op de tentoonstelling één kunstwerk dat naar een dergelijk verdwijnen van alle betekenis verwijst. De Deense kunstenaar Joachim Koester maakte een documentaire over de mislukte expeditie van de Zweedse ontdekkingreiziger Salomon August Andrée in 1897. Andrée’s doel was de Noordpool over te steken in een heteluchtballon. Al snel na de start van de expeditie stortte de ballon neer, de driekoppige bemanning begon aan een tocht over het ijs, die geen van hen overleefde. Tweeëndertig jaar later werden de foto’s gevonden die één van hen, Nils Strindberg maakte. Een groot deel van deze foto’s laat niets anders zien dan “fotografische ruis”: krassen, vlekken, zwarte vlakken. Meestal wordt dit soort fotografisch afval door historici aan de kant geschoven omdat ze niets laten zien en dus niets te vertellen hebben over wat er “echt is gebeurd”. Wat Koester in zijn documentaire nu doet is het integraal opnemen van deze “mislukte” foto’s, waarmee hij laat zien dat wat “er echt is gebeurd” precies het verdwijnen van alle betekenis, alle zin is. De fotografische ruis neemt het over van de representatieve kracht van het medium en toont zo de ondergang van de expeditieleden.

Dit bericht delen