#34: Sparagmos

Met bijdragen van Sofie Alossery, Solli Asemani, sieger baljon, Nele Buyst, Michiel Cox, Ingeborg Daniëls, Radna Fabias, PEter Gieskens, Giuseppe Minervini, Ilona Roesli, Lisa Rooijackers, Carlo Siau, Oscar Spaans, Isabelle STockmans, Dries Van Doorn, Jean-Luc van Ijperen, Anneleen Van Offel en Michiel Van Opstal. Beeldbijdragen van Bram Demunter (schilder) en Maarten Van Praet (illustrator).

De moderne samenleving is complex. Met meer dan zeven miljard mensen op aarde en snel slinkende natuurlijke rijkdommen, met flitsend snelle communicatiemiddelen zoals het internet en steeds snellere vervoersmogelijkheden, lijkt de wereld steeds onoverzichtelijker te worden. Soms lijkt het alsof er in die schijnlijke wanorde enkel structuur gebracht kan worden als we onszelf onderwerpen aan de ratio, aan de praktische rede, om zo onszelf te behoeden van angstaanjagende catastrofes.

Maar is dat wel zo? Zestig jaar geleden betoogden Theodor Adorno en Max Horkheimer net het omgekeerde. De praktische rede, die alles in wiskundige modellen vast probeert te leggen en enkel oog heeft voor observeerbare feiten, was voor hen geen redding uit de chaos – ze lag net mede ten gronde aan de crisis van de moderniteit. Dat empirisme, dat enkel oog heeft voor koude feiten, verloor volgens hen elk zicht op het menselijke en daarmee ook de essentie van de werkelijkheid. Die onderdrukking van het menselijke – die o.a. zijn uitdrukking vond in consumptiecultuur en emotionele vervlakking – vond volgens hen zijn oorsprong in de onderwerping van de natuur aan die empirische rede. Vervreemd van zichzelf en van de maatschappij, schreven ze over hoe het individu zijn heil zocht in een sterke leider die zekerheid en structuur kon aanbrengen in de chaos. Als Duitse intellectueel met een joodse achtergrond zag Adorno in deze tendensen een rechtstreekse weg naar de gaskamers van Auschwitz.

Vandaag leven we in een andere wereld, maar wel een die gebouwd is op de brokstukken van wat vooraf ging. Daarom: Sparagmos. Het extatisch openrijten van een levend wezen als overgangsritueel om een samenleving (opnieuw) samen te smeden. In Bakchai verkent Euripides de verhoudingen tussen de rede en het (oer-)menselijke, met als symbolisch figuur Dionysos. Hoe kan de God van de waanzin, de wijn, en de blinde geloofsijver eens plaats krijgen in de rationele Oud-Griekse samenleving? Is het mogelijk om een ruimte te scheppen voor het irrationele, is het mogelijk om ons te emanciperen van de koele rede en om een andere, misschien meer doorleefde blik op het bestaan te ontwikkelen? Of regeert de waanzin dan soeverein?

In dit nummer van Kluger Hans zoeken we een aanzet tot antwoord. Hoe zoekt de rede wanhopig naar het redeloze? Kan de waanzin ons emanciperen? Kan sparagmos ons helpen om los te breken uit de schijnbaar eindeloze cyclus van onderwerping?

Dit bericht delen