De les van Narcissus: het disruptieve potentieel van zelfabsorptie

What I desire, I have. My very plenty makes me poor. How I wish I could separate myself from my body!
Ovidius, Metamorfosen, boek 3

Selfie is een grappig woord: het verbindt onlosmakelijk zulke uiteenlopende fenomenen als de filosofische notie van het Zelf, moderne technologie met de inherente directheid van sharing, virtualitet, actualiteit, gender, narcisme, consumentisme, en sociale media. Ik haatte het toen het voor het eerst opdook in alledaags taalgebruik vanwege de positieve bijklank die selfie in zich droeg, alsof zelfingenomenheid en narcisme attitudes waren die nu plots welgekomen waren. Nu denk ik echter dat mijn negatieve reactie tegenover deze opkomende praktijk niets meer was dan een vooroordeel dat oprees uit het gendered idee van narcisme, een idee dat doorheen de twintigste eeuw een belangrijke shift in betekenis ondergaan heeft van mentale stoornis naar sociale strategie. Dit essay probeert om de knopen te ontwarren van mijn eigen aversie tegenover selfies, aangezien ik geloof dat mijn eigen gevoel van afkeer net opgeroepen wordt door onderdrukkende ideologieën. Om de rehabilitatie van selfie als een praktijk mogelijk te maken, zal deze tekst proberen om de mythe van Narcissus te verkennen en terug te brengen tot een archetypisch figuur van de jongen die voor zichzelf viel. Zowel de mythe als de discursieve constructie van selfie-als-praktijk vereisen een re-evaluatie van wat die concepten vandaag inhouden. Die re-evaluatie vertrekt vanuit de constatatie dat de negatieve connotaties die beide concepten in zich dragen in mijn ogen onlosmakelijk verbonden zijn met de politieke strijd van verschillende feminismes, zeker cyberfeminisme. 

Selfie-als-praktijk is een erg gendered praktijk, niet omdat ze exclusief beoefend wordt door vrouwen, maar omdat vrouwelijke selfie-producenten discursief neergezet worden als narcistisch in negatieve zin, emotioneel en oppervlakkig. Dus wanneer ik spreek over narcistische actoren, dan bedoel ik kwetsbare subjecten die betrapt worden in flagranti bij de act of self-cognition – de daad van zelfcognitie of zelfherkenning. Mijn argument hier is dat dit erg onwelkom is in elk systeem. Narcissus hoeft geen vrouw te zijn, maar veel vrouwen worden neergezet als moderne Narcissusen. Tegelijkertijd argumenteer ik dat Narcissus neergezet wordt als een archetype van een kansarm verlangensobject, een rol die in een patriarchale samenleving toegekend wordt aan vrouwen.

Cyborgs en schermen – intra-actieve verstrengelingen

Ik stel voor om de Narcissus mythe te analyseren in cyborg-terminologie. Donna Haraway introduceerde die terminologie in haar essay ‘Cyborg Manifesto’ en is volgens mij erg relevant om de Narcissus-mythe beter te begrijpen. Ze omschreef een cyborg als een ‘hybrid of machine and organism, a creature of social reality as well as a creature of fiction’. Zowel het fictieve in het algemeen als het fictieve van het sociale zijn essentieel voor deze analyse. De mythische ontmoeting van een goddelijke jongen met zijn eigen reflectie is gemedieërd door een scherm bestaande uit de serene wateren van het meer. Ovidius omschrijft dat meer als loepzuiver, nooit eerder in aanraking gekomen met de mens, abnormaal en magisch in haar helderheid. De virtuele werkelijkheid is vergelijkbaar met dit amenselijk gebied, een helder en onverschillige ruimte die enkel en alleen gedreven wordt door wiskundige formules. Het internet is lijfloos, het is immaterieel, want het is enkel een noemer voor een geheel aan acties en formules die uitgevoerd worden door ontelbare actoren (zowel mensen als machines). De ontologische status van het virtuele is zonder weerga in de materiële werkelijkheid, onvergelijkbaar met een materieel lichaam. Het lijkt meer op een spook dat met ons communiceert via een technologisch spiritueel medium. Voor Narcissus bezat het meer een vergelijkbare ontologische status: het was zowel een medium waardoor hij toegang kreeg tot zijn eigen reflectie als het ultieme obstakel dat consummatie van zijn verlangens onmogelijk maakte. Er is een verontrustende gelijkenis tussen dit Ovidiaanse meer en de manieren waarop moderne technologie onze affecten navigeert: het roept tegelijkertijid een verlangen op, maar maakt de vervulling ervan onmogelijk. Hierdoor komt het individu vast te zitten in een vicieuze cirkel van onbereikbare maar o zo intieme visies. In die zin is Narcissus het archetype van een cyborg die embedded is in sociale media platformen: hij bestaat door exces en vermenigvuldiging, en bereikt zijn lot door een fusie met de machine. Narcissus is zowel echt als fictioneel – hij bestaat als een lichaam en als een beeld dat hij tevergeefs achternaholt. Empirisch gezien is er echter geen verschil tussen beide aspecten, aangezien het materiële lichaam reageert op het beeld en vice versa. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en verworden zo tot één affectief geheel, doordrongen met verlangen en spanning (fig. 1). 

Het mythologische paradigma kan gemakkelijk gevonden worden in ons hedendaags treffen met technologie. Een selfie-producent is ook een hybrid figuur. De feministische onderzoekster Katie Warfield omschrijft die staat van zijn als een verstrengeling, iets waarmee ze geloof betuigt aan het New Materialism. In dat licht is de lijn tussen het subject en het object radicaal vervaagd – materie en betekenis worden onlosmakelijk en epistemologie, ethiek, ontologie en semiotiek worden samengesmolten. De selfie-producent versmelt in dit proces van een-simulacrum-genereren: een selfie maken is niet enkel een actie uitgevoerd door een subject via een passief object, maar eerder een uitvoering van verborgen krachten, potentiëlen, betekenissen en spanningen. Het is een intra-actie in plaats van een inter-actie. De deling subject – scherm/reflectie wordt een nutteloos onderscheid, aangezien via de intra-actieve verstrengeling elk element intergeconnecteerd is en dus ook elk element in elkaar aanwezig is. Het beeld op het scherm is geïncorporeerd door het subject in zover de selfie-producent investeert in zijn sense of the Self, zijn begrip van het Zelf, esthetiek, concepties en verwachtingen die komen bij het proces van een foto nemen. De narcistische situatie – het selfie-proces – wordt zo een heterogeen event, een verstrengeling van verschillende entiteiten die verschillen in substantie maar toch onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn nu. Als een gevolg is de ‘schone schaduw’ die nagestreefd wordt door de selfie-producent niet opgevat als een opzichzelfstaande entiteit. In de plaats daarvan is ze een extensie van het Zelf, een belichaming van verlangens, topoi, gender normen, enz. Wat er gebeurt op het scherm is een intra-actie van iemands lichaam met een medium (en dat lichamelijk aspect is de kern van de ervaring), een voeling met het Zelf, affect, normen, surveillance, geschiedenis, enz – het is mogelijk om ontelbare entiteiten ad infinitum op te noemen voor alle factoren die onze subjectiviteit uitmaken. De narcistische reflectie is een individuele oefening in gemeenschappelijke verbeelding, en de nexus van onze affecten; het versmelt het subjectieve met het objectieve, het lichamelijke met het verbeelde. Om vergelijkbare redenen beschrijft Ovidius de lokken van de jongen als waardig aan Apollo of Bacchus.

Het publiek nabootsen

Is there anybody here?
Ovidius, Metamorpheses, Book III

Zowel een Narcissistische scène als selfie-productie vinden plaats in een bevreemdende, verlaten ruimte. Narcissus roept ‘is hier iemand’ en alleen de vervloekte nymf Echo beantwoordt hem. Selfies als een praktijk van zelfcognitie (zij het nu autoerotische liefde of zelfonderzoek) worden doorgaans genomen in een bij voorkeur besloten ruimte, zodat een intieme ontmoeting met de camera mogelijk wordt. Dit is niet noodzakelijk zo voor andere vormen van selfieproductie, zoals bijvoorbeeld wanneer iemand deelneemt aan een sociaal event of wanneer een selfie gebruikt wordt als documentatie van een ontmoeting. Die vormen van selfieproductie vallen echter buiten de focus van dit essay, aangezien die vormen niet als narcistisch gezien worden. 

Bij de selfie als zelfcognitie geldt het oude principe art est celare artem, waarbij het lange productieproces verborgen wordt onder een pose van luchthartigheid. Een mogelijke reden voor die pose is de idee dat de eigen fysieke aanwezigheid in het openbaar benadrukken al snel vervalt in eroticisme. Narcissus werd steeds opnieuw onderworpen aan de verlangens van anderen, constant achtervolgt en achternagezeten, tegen gepredikt en uitgescholden vanwege het gebrek aan wederkerigheid. Daarmee is er een opvallende gelijkenis tussen de positie van Narcissus en de hedendaagse positie van de vrouw in een patriarchale samenleving, aangezien beiden objecten van verlangen zijn en trofeeën voor anderen. Beide figuren zijn daardoor gevangen in een onoplosbare situatie waarbij ze gewaardeerd worden om hun schoonheid, maar tegelijkertijd die schoonheid zelf niet mogen waarderen omdat ze anders neergezet worden als oppervlakkig, cru, autoerotisch, of promiscue. Echter, dankzij het feit dat ze dezelfde samenleving delen, wordt de blik waar ze aan onderworpen worden meteen ook de blik waardoor ze zichzelf percipiëren. Zo ontstaat er een dubbel bewustzijn, waarbij beiden zich percipieëren door de blik van anderen en zo enkel zichzelf gewaarworden en vormen door diezelfde patriarchale blik. De schoonheid van Narcissus behoort tot het gemeenschappelijke canon, en vormt een gemeenschappelijke affectieve verbeelding, waaruit de narcistische liefde origineert. In die zin anticipeert en verwelkomt het afwezige publiek, of net zoals Echo, het verstopte publiek elke narcistische handeling. Het publiek is onzichtbaar, maar aanwezig, ‘folded under the skin’ van het narcistisch subject: het individu heeft geïmprimeerd op zichzelf de collectieve verwachtingen van haar eigen lichaam, en daarmee ook de verwachtingen die horen bij haar genderrol. 

Vergelijkbaar hiermee is de manier waarop de selfie-producent beperkt blijft in de echokamer waarin ze steeds opnieuw oog-in-oog komen te staan met de verwachtingen die bij hun lichamelijke realiteit komen kijken – via de interface waarin ze zichzelf bekijken passen ze hun uiterlijk aan om hun individualiteit te conformeren aan die normen. Ze zijn zowel toeschouwer als bekekene, belichaamde uitvoeringen van een dubbel bewustzijn waarbij ze proberen om de subjectiviteit van een onderworpen individu te verzoenen met de dominante blik van de Ander. Het narcistisch subject probeert om haar eigen reflectie te incorporeren, zodat ze het beeld wordt dat verlangt wordt door het onzichtbare publiek.

Het Zelf performen – Prosthetische identiteit

Een selfie is geen eenduidig beeld, zoals verschillende onderzoekers al eerder aantoonden. Het is zowel een belichaming als een performance, een (re)presentatie en een praktijk. Het voert en belichaamt discursieve entiteiten uit, waarvan gender de meest prominente is. Sinds Judith Butler wordt gender als performatief beschouwt, wat betekent dat het een sociale rol is die iemand opneemt in een samenleving. Iemand performt vrouwelijke kenmerken, in plaats van dat ze uit een mythische biologische bron voortspruiten. De selfie is discursief geconstrueerd als een vrouwelijke praktijk met een zelfingenomen, narcistische kern. Echter, als hiernaar gekeken wordt vanuit een kunsthistorisch perspectief, wordt al snel duidelijk dat de selfie (opnieuw) een andere spiegel is die de archetypische vrouw in haar hand heeft (fig. 2). De hypocrisie van deze topos werd erg gevat beschreven door John Berger in zijn reeks Ways of Seeing

You painted a naked woman because you enjoyed looking at her, you put a mirror in her hand and you called the painting “Vanity”, thus morally condemning the woman whose nakedness you had depicted for your own pleasure.

De selfie compliceert dit doelbewust reductionistische concept van vrouwelijk narcisme, een concept dat het performatieve potentieel van zelf-weergave lijkt te minimaliseren. Het verschil tussen een selfie en klassiek naakt, is het agentschap: het onderwerp van verlangen legt zichzelf vast. De game-changer hier is het feit dat de machtsrelatie voortkomt uit het bewustzijn dat genderrollen performatief voortgebracht worden, en dat identiteiten geproduceerd worden in alle representaties. 

Het performatieve is niet enkel beperkt tot theatrale kwaliteiten, maar impliceert ook een hoge graad van agency. De selfie is performatief ook in de zin dat het iets voortbrengt, als in de performatieve uiting ‘let there be x’. Tegelijkertijd kan de selfie als praktijk – ‘a gesture that can send different messages to different individuals, communities, and audiences’ – identiteiten construeren die rijker zijn dan enkel een reflectie van iemands gender. Het verandert in een werkinstrument om te onderhandelen over iemands maatschappelijke positie. Daarbij is het belangrijk om identiteit et zien als iets dat niet inherent deel uitmaakt van iemands zijn, maar eerder fungeert als een prothese, as an extensie die iemand toestaat om op gelijke hoogte te functioneren binnen een maatschappij of om een andere dimensie van de sociale werkelijkheid te bereiken. Tegelijkertijd kan een prothese een verlies vervangen, of het individu voorzien van nieuwe mogelijkheden. In het geval van de selfie staat het het narcistische individu toe om te functioneren los van de strop van gender criteria, net dankzij het nauwe verband tussen de selfie en iemands lichamelijke realiteit. Door het feit dat een selfie en fotografisch documentaire noema is – iets wat Barthes omschreef als een statement ‘dat-geweest-is’ – valideert het iemands claim om te handelen buiten sociale verwachtingen, om voorbij het cliché te gaan en daarmee te claimen dat die persoon een alternatieve manier van zijn heeft geproduceerd. Deze alternatieven kunnen zo  gemeenschappen van verzet produceren die functioneren voorbij de dominante machtsstructuren. Zoals Theresa Senft het omschrijft, een belangrijke specialist op het vlak van cyberfeminisme: 

The site of my prosthetic identity is my hypothetical cyberspace community.

En Narcissus vraagt:

Oh woods, you who have lived so many centuries, do you remember anyone, in all your long years, who has pined away as I do?

Afwezig lichaam of toegevoegd subject?

What you see is [..] in itself nothing. It comes with you, and lasts while you there; it will go when you go, if go you can.
 – Ovid, Metamorphoses, Book III

Het lichaam heeft een problematische status in het narcistische paradigma. Het wordt slecht geïmpliceerd in het lijden van Narcissus, maar de materialiteit van het lichaam is zwak, oplosbaar in beide zinnen – zowel oplosbaar als de mogelijkheid bezittend om op te lossen. Het lichaam vervaagt in de overspoeling aan affecten, en de drie punten van de driehoek lichaam – subject – beeld komen zo langzaam los te staan van elkaar. De droom van Narcissus is om te vervreemden van zichzelf: ‘How I wish I could seperate myself from my body!’, schreeuwt hij. Het materiële, organische lichaam verdwijnt zo, wordt gradueel gedematerialiseerd. Het lichaam verwordt tot een bundel aan affecten, iets dat ‘out ther’ is – voorbij het scherm van het meer, onbereikbaar maar toch echt. Door de daad van allocatie, wordt de reflectie voorzien van een niet-fysiek, hypothetisch lichaam, een container aan verlangens, die erg precies de subjectiviteit van het gevangen individu nabootst. Zonder dat hij het beseft, beweegt Narcissus van het verbeelde lichaam van de Ander naar een schaduw van zichzelf, die enkel vastgehouden wordt zolang dat het verlangen en de aandacht kan blijven bekoren. Dit is het eeuwig dilemma van het narcistische subject: het heft haar eigen subjectiviteit op om verenigt te kunnen worden met een artificieel zijn. Het subject wordt zo toegevoegd aan een virtueel lichaam, waardoor het de status verwerft van half-avatar, half-minnaar.

Het Zelf wordt zo verstoten en verwerft het karakter van een toevoeging: het kan toegevoegd worden aan verschillende oppervlaktes, voorzien worden van verschillende uiteenlopende kenmerken, en zo steeds ondefinieerbaar blijven. Het narcistisch subject is een prototype van identiteit in de virtuele ruimte. Die logica wordt door Jennif Gonzalez omschreven als een ‘appended subject’, een ‘toegevoegd subject’, waarbij ze drie verschillende interpretaties toevoegt:  

A subject comprised of appendages, of parts put together, of supplementary materials; 2. Subject or a person defined by a relation of supplementarity, added to some other principal body (colonized subject to the imperial state) 3. Subject as object constituted by electronic elements serving as a psychic or bodily appendage, an artificial subjectivity that is attached to a supposed original or unitary being, an online persona understood as appended to a real person who resides elsewhere;

Weinig verrassend zijn alle drie deze varianten toepasbaar op Narcissus: als cyborg is Narcissu een allegaartje aan verschillende onderdelen waarvan er geen enkel domineert; als object van gemeenschappelijk verlangen opereert hij al seen toevoeging aan een machtsstructuur, een atribuut die de machtswerking vlotter laat verlopen; als zichzelf verleent hij authenticiteit aan zijn eigen reflective, een online avatar. Het lichaam verschijnt hier opnieuw op een paradoxale manier: het bestaat ergens ‘out there’, in relatie tot de avatar, maar niet in relatie tot de persoon. Die toegevoegde structuur obfusceert zowel de noties lichaam en subject, waardoor het sscherm en de reflectie een centrale positie innemen in de verstrengeling tussen subject en object, waardoor de eigenaar ervan vast komt te zitten in zijn eigen immateriële, geïdealiseerde illusie. Het effect daarvan is des te betoverend aangezien het verweven is met het authentieke, levende lichaam – zowel de visie en het verdwijnende lichaam versterken elkaar. Dit is waarom Narcissus zichzelf niet volledig kan losmaken van zijn lichaam, noch weg kan gaan van de rivierbedding.

Glitch en het fictieve Zelf

Poor foolish boy, why vainly grasp at the fleeting image that eludes you? The thing you are seeing does not exist.
Ovid, Metamorphoses, Book III

Wanneer het water kalm is, kan niets de illusie van de reflective ontmaskeren. Het is de interventie, de verstoring, de beweging die het scherm ontmaskert en het individu terugbrengt naar de empirische werkelijkheid. Het is de glitch die de fictionaliteit – of virtualiteit – van het beliefde beeld ‘ontnaakt’. Glitch zorgt voor een onderscheid tussen de avatar en het lichaam, en herstelt het (zelf)bewustzijn. Daarmee is het de bron van alle epifanieën,  aangezien het bewustzijn oproept van alle elementen in de verstrengeling: lichaam, beeld, ideologie en technologie. Die verstoring zorgt er echter niet voor dat het narcistisch subject volledig bevrijd wordt van de normatieve esthetiek en (auto) gesexualiseerde narratieven. Narcissus ontdekt de fictieve aard van de prachtige jongen, maar dat zorgt er niet voor dat zijn affectie bekoelt. Vergelijkbaar hiermee is de manier waarop glitches in het selfieproces, zoals slechte belichting of problemen met de camera, er niet voor zorgen dat het hele onderdrukkende complex dat het narcistisch subject opgedrongen wordt ontmaskert. Er is een negatief autonoom patroon terug te vinden in de epifanie: “iste ego sum […] uror amore mei” — “this I am [… ] I burn with love of myself”. Na deze ontdekking keert het subject echter gewoon terug naar het startpunt, waarbij fictie geinternaliseerd wordt langs affectieve kanalen, vanuit het principe ‘alles is echt in zoverre dat het gevoeld wordt’. Zoals Sharon Lehner opmerkt:

Images are real, insofar as they pleasure, they pain, they cause action – crucial lesson in aesthetics at their political and medical peril.

Er is sprake van een proces van constant internalisering van fictie: de categorie van de waarheid is buiten ieders overweging, aangezien de onbeperkte fictie het enige is dat Narcissus (wil) ken(t)(nen). Beseffen dat zijn positie een construct is, is empowering, maar tegelijkertijd ook volledig nutteloos: voor Narcissus er is namelijk geen leven meer voorbij de verstrengeling.

Mirror-stage

What I desire, I have. My very plenty makes me poor.
Ovid, Metamorphoses, Book III

De ontmoeting met het projectiescherm is een primair moment voor de formatie van het Zelf: daarom is de Narcissus mythe al sinds Freud geaccepteerd als paradigmatisch binnen het menselijk groeiproces. Voor Freud begint het bewustzijnsproces, het ontstaan van een bewust Ego, met de versplintering van de primaire eenheid van het individu. Het moment dat er een bewust Ego ontstaat, voelt die de drang om zich opnieuw te bevinden in die primaire staat van eenheid. In Lacaniaanse termen: de narcistische ontmoeting illustreert de méconnaisance – de misherkenning – die iemand toestaat om zichzelf te erkennen als zich-Zelf. In zijn essay over mirror stage ontwikkelt Lacan een voorbeeld van een kind dat zichzelf voor de allereerste keer herkent in een spiegel. Het beeld dat dit kind ziet is niet het kinds lijfelijkheid noch zijn subjectiviteit, maar toch misconstrueert hij het beeld dat hij ziet om zichzelf te kunnen herkennen – en daarmee ook erkennen – als een autonoom wezen. Dit moment is tweeledig volgens Lacan, aangezien het zowel erkenning als een fout inhoudt. Het kind “greets itself with delight and simultaneously enters into a hostile rivalry with its own image; experiences the encounter with its reflection as pleasurable and at the same time resents the superiority of the mirror image”. Daardoor zit er een neurose in de kern van het Zijn die niet verzoend kan worden. Het Zelf heeft zijn fundering in een fictie die constant ongrijpbare beelden internaliseert. Bij Narcissus zien we echter een model waarbij die primaire miserkenning nooit plaatsvond. 

Epiloog

Narcissus wordt voorspeld dat hij een lang leven zal lijden als hij nooit ‘zichzelf kent’, dat wil zeggen, als hij nooit de mirror stage bereikt en zichzelf erkent als een individu-in-deze-werled. Door het feit dat het narcistisch subject op de grens van de mirror stage blijft hangen, wordt het meteen ook politieke agency ontkent. Maar het is niet Narcissus zelf die zichzelf politieke agency ontkent. Hetgeen dat zijn zelfherkenning in de weg is staat zijn de sociale structuren zelf, die ook niet weigeren om biopower te gebruiken, waardoor de ontstaande doodsdreiging een sterk disciplinerend effect uitdraagt. 

Veel feministische auteurs zien selfies als een reappropriatie van de male gaze, de mannelijke blik. In het licht van het eerdere citaat van John Berger lijkt die redenering erg eenduidig en overtuigend. De spiegel die voorgehouden wordt toont geen vrouwelijke oppervlakkigheid en mannelijk verlangen, maar wat de onderworpen subjecten willen tonen. Maar deze argumentatie ontbreekt een cruciaal punt, namelijk bewustzijn van het feit dat elke narcistische daad onlosmakelijk verstrengeld is met de gaze die ze bekritiseert. De gaze is embedded in gendered identiteit en het kost enorm veel moeite om die daaruit los te maken. Ondanks het feit dat een glitch een catalysator kan blijken voor meer bewustzijn van normatieve structuren, valt Narcissus steeds opnieuw in dezelfde pijnlijke liefdesval, die zich in hedendaagse termen laat vertalen naar een emancipatorische strijd die nooit ophoudt. 

In die zin vormt Narcisme een model van zelf-cognitie in tijden van digitaal kapitalisme. Machtrelaties worden ontmaskerd en geïnternaliseerd: paradoxaal genoeg komt de macht verworven door de narcistische daad net voort uit een bestendiging en versterking van onderwerping aan de dominante normen en esthetiek – en daarmee verliest het individu opnieuw zichzelf. Zowel Narcissus als de selfie producent, het narcistisch vrouwelijk subject, zijn in een permanente strijd voor empowerment die onvermijdelijk leidt tot onderwerping. Maar de mogelijkheid om zichzelf te zien in de ander, in relatie tot andere ‘social agencies’, zorgt ervoor dat onze Narcissus deel kan nemen aan gemeenschap van alle soorten. Het is het bewustzijn van de virtualiteit van het Zelf – aangezien het narcistisch subject in theorie een onbeperkt aantal rollen en identiteiten op zich kan nemen – die haar toelaat om het systeem van constante verheerlijking en onderwerping te ontsnappen. De veelheid aan zelven die ontmaskert wordt door de constante zelfonderzoeking zorgt ervoor dat een proces aan in gang gezet wordt waarbij andere genders en andere omgangsrelaties tussen individuen denkbaar worden. Zo’n empowering community is fluide en permanent veranderend, en elk lichaam kan steeds de oorspronkelijke reflectie vervangen. Zo wordt het ook mogelijk om een andere erotische gemeenschap te verbeelden. De mogelijkheden zijn legio, aangezien het aantal protetische identiteiten onbeperkt is.

Narcissus is zo een onmogelijk figuur. Hij staat voor de onmogelijkheid om tegelijkertijd het Zelf en het Ander te zijn. Deze utopia is zowel bevrijdend als levensgevaarlijk: het narcistisch subject verdwijnt uiteindelijk, uitgeput door de constante verschuivingen in identiteit van het Zelf. De lijn tussen onderwerping en emancipatie is een vloeibare lijn, en een die te gemakkelijk uit het zicht verloren kan worden. 

Dominika Tylcz

Dit bericht delen