De vrouw die van de aarde viel // 4

De vrouw die van de aarde viel is een multimediaal project over hoe je soms van iets weg moet rennen om het te kunnen omarmen. Charlotte Peys illustreert en Pim Cornelussen schrijft. De komende maand publiceert Kluger Hans elke week een aflevering van dit verhaal over hoe de verbeelding een schuilplaats voor de werkelijkheid kan zijn. Naast een prentenboek zal er ook een theatervoorstelling van gemaakt worden die in oktober 2018 in premiere gaat.


Alle raven fladderden op en krasten opgewonden door elkaar.

‘Wel, ben je klaar?’, klonk het vanuit de hoogte.

Ik doorzocht al mijn zakken nog een laatste keer. Misschien had ik wel ergens overheen gekeken. Er zat niets in. Verslagen liet ik me neerzakken op het bladerdek. Het duizelde in mijn hoofd. Het zouden dus mijn ogen worden. Daar viel nu niets meer aan te doen.

‘Gggggoed’, stotterde ik, ‘wacht even’.

Ik stelde me voor dat ik vanaf nu enkel nog met stemmen zou leven, maar nooit meer zou weten wie er bij die stem hoorde. Er zouden enkel nog zwarte gaten zijn waar geluid uit kwam. Ik dacht aan de echte zwarte gaten in de ruimte en dacht dat iemand zonder ogen daar op een vreemde manier mee verwant was. Achter mijn rug hoorde ik Elena en Thalia heen en weer schuifelen.

 

‘Wat ben je aan het doen’, werd er gekrast.

‘Ik ben afscheid aan het nemen!’, riep ik naar boven.

Daarna voelde ik op elke schouder twee poten.

Twee kraaien die in mijn gezicht hijgde.

‘Stil staan nu’, giechelde er een.

Ik herinner me dat ik een snavel langs mijn neus voelde gaan. Hij was glad en hard. Ik herinner me dat ik mijn mond open sperde, dat ik mijn mond zo ver mogelijk open sperde.

Daarna werd alles zwart.

 

Alsof je wegzakt in een inktzwarte duisternis.

 

Eerst heb je het gevoel dat je vanbinnen vloeibaar wordt.

Je buik, je benen, je armen.

Alles loopt razendsnel in elkaar over.

Dan verdwijnt ook het gevoel dat je lichaam één geheel is.

Aardedonker.

Je adem stokt.

Je ogen open noch dicht.

Stilte.

 

Ik herinner me dat toen ik wakker werd mijn lichaam bevroren leek. Dat ik lange tijd gewoon stil lag, in gedachte mijn ogen nog dicht had. Dat het tipje van mijn rechterpink het eerste was dat ik kon bewegen. Dat ik mijn ogen niet open durfde te doen.

Dat ik me langzaam uitrekte en schrok omdat ik alleen maar aarde voelde, koud, zacht en nattig. Dat toen ik omhoog probeerde te komen een hand me tegen hield. Een stem die iets onverstaanbaars fluisterde. Ik herinner me de geur van die stem, voordat ik weg zakte en weer in slaap viel.

 

‘Dit was misschien een beetje teveel gruwel, zo meteen in het begin van onze tocht’, hoorde ik Thalia zeggen.

‘Dit was ook niet helemaal wat ik voor ogen had toen we op weg gingen’, zei Elena.

Ik zat op de rug van een van beide en schommelde bij iedere stap heen en weer. Ik voelde de zon op mijn voorhoofd en proefde iets als ijzer op mijn lippen.

Om de tijd werd ik neergezet en wisselde ik van rug. De wisseling gebeurde zwijgend, nooit spraken ze mij aan. Zo liepen we dagen achtereen zonder dat ik een woord met een van hen wisselde. Ik was vanaf nu de stille last. Ik voelde de wind langs mijn gezicht vliegen en in gedachte hield ik mijn ogen nog altijd dicht.

Toen, op een ochtend, hoorden we een zacht gejammer.

‘Wat is dat geluid?’ vroeg ik, ‘het lijkt wel gesnik.’

‘Er is hier niets dat kan wenen’, reageerde Elena.

‘Toch hoor ik wat snikken’, zei ik.

‘Wat kan er nou snikken in de bergen?’

‘Een geit?’, vroeg ik.

‘Het klinkt eerder als een lage brom’, hoorde ik Elena zeggen, ‘alsof iemand zachtjes aan het kermen is’.

‘Blijf jij hier, dan gaan wij wel even kijken’, zeiden ze in koor.

Ik werd neergezet, kreeg iets in mijn handen geduwd en voor ik het wist was ik alleen.

 

Het duurde twee dagen en twee nachten voordat ik uit de verte haastige voetstappen hoorde komen.

 

‘Je zal niet geloven wat we gezien hebben!’, riep Elena buiten adem.

‘Nee, je zal het niet geloven’, herhaalde Thalia opgewonden.

‘We liepen uren in het rond zonder dat we konden zien waar het snikken vandaan kwam. We keken op de grond, legden onze hoofden op de aarde, maar ook daar hoorden we niets. We wilden al bijna weer naar je terugkeren toen we op een plek kwamen waar we het heel duidelijk hoorde. Het snikken. Het kwam van boven. Daar, hoog boven onze hoofden, hoger dan de boomgrens, hoger dan de sneeuwgrens, nog hoger dan de hoogste berg, hing een traan te bungelen.’

‘Een traan hing aan een wolk te bungelen!’

‘En uit die wolk sprak er iemand.’


Dit waren de eerste drie hoofdstukken uit De vrouw die van de aarde viel. Het verhaal wordt de komende tijd verder geschreven door Pim en Charlotte. Wil je dit proces volgen? Ga dan naar: www.devrouwdievandeaardeviel.wordpress.com

 

Dit bericht delen