Het is me wat

Geachte leden van de Vereniging voor Taal, Erfgoed en Gemeengoed, Beste coöperanten, cocreanten en sympathisanten,

Mijn lezing vanmiddag gaat over een woord met een merkwaardige geschiedenis, namelijk ‘utopie’. Vanaf 2016, vijfhonderd jaar nadat Thomas More zijn welbekende ideële eiland beschreef, raakte de term in onbruik en verdween in de krochten der taalgeschiedenis, naast dingen als ‘troglodiet’ en ‘omerta’. Hoe dat precies in zijn werk ging, is nu, zoveel decennia later, niet te achterhalen, maar de impact van wat in 2016 gebeurde, is vrij duidelijk. Ik neem u graag mee op een kleine historische wandeling.

Ter ere van de vijfhonderdste verjaardag van More’s ‘Utopia’ werden allerhande initiatieven genomen. Zo organiseerde elke zichzelf respecterende universiteit lezingen waarin specialisten hun ‘utopische’ visie op de wereld presenteerden. U moet zich de context van toen voor de geest halen. De Grote Crisis greep al een tiental jaren genadeloos om zich heen, maar het Regime van gevestigde instellingen had zijn eigen rol daarin nog niet grondig geanalyseerd. Heel wat academische onderzoekers meenden dus dat ze met ‘meer van hetzelfde’ – nog meer hypergespecialiseerde innovatie – aan de hypercomplexe planetaire crisissen het hoofd konden bieden. Vandaag lijkt dat een agrante provocatie, maar in die tijd kwam men er mee weg.

Evengoed – en gelukkig voor ons – timmerden er toen ook al Niches
volop aan de weg die naar de huidige welzijnssamenleving zou leiden, al werkten ze in die tijd nog volstrekt in de marge. Het was maar toen zij hun krachten gingen bundelen, dat de nieuwe tijdsgeest weerwerk kon bieden aan de zelfgenoegzaamheid van de academische wereld. En in die krachtmeting speelde het concept ‘utopia’ een sleutelrol. Ook die pioniers namen immers initiatieven om More’s inspirerende tekst te herdenken. Zij creëerden fora waarop kunstenaars, wakkere burgers, cocreanten en systeemdenkers hun visie op een betere wereld presenteerden. Zonder uitzondering ging het om bewogen mensen die bij wijze van spreken met hun vuile laarzen volop in
de complexiteit van de wereldproblemen stonden, en dus als vanzelf een holistische kijk hanteerden. Hun doel was niet één of ander particulier belang
te dienen, maar wel grote systeembalansen, zoals biodiversiteit, een gezond leefmilieu, warme woonwijken, veiligheid en schoonheid te bevorderen. Zij beseften maar al te goed dat hyperspecialistische ingrepen in één domein altijd tot verstoring in andere subsystemen leiden. In feite waren zij de wegbereiders van het systeemdenken dat vandaag tot de basisopleiding van ieder kind behoort. De Niches werkten aan bescheiden innovaties die tot reële, collectieve oplossingen voor noden van lokale gemeenschappen leidden zonder schade voor de planeet of het sociale weefsel. Dat soort radicale nieuwlichterij werd door het Regime echter als ‘utopisch en onrealistisch’ afgedaan. U hoort
het al, het contrast tussen beide benaderingen van het woord ‘utopie’ kon
niet groter zijn. De clash tussen beide visies deed bij het brede publiek het besef groeien dat het woord ‘utopie’ voor de meest willekeurige overtuigingen werd gebruikt. Sterker nog, het werd door één van de partijen schaamteloos
in tegenstrijdige zin gebruikt. Hun eigen specialistische uitvindingen waren volgens de universiteiten utopisch omdat ze naar een betere wereld zouden leiden. Bespraken ze daarentegen innovaties die vanuit de Niches kwamen, dan noemden ze die ook utopisch, maar dan bedoelden ze daarmee naïef, onhaalbaar en onwenselijk. Voor wakkere geesten werd het stilaan zo helder als pompwater dat de universiteiten de term ‘utopie’ koudweg manipuleerden om hun eigen machtspositie te vrijwaren. En toen stond de keizer poedelnaakt ! Taal – en bovenal wetenschappelijke, technologische en wiskundige taal – was géén neutraal middel om de realiteit te benoemen ! Ze was een machtsmiddel waarmee het Regime zijn visie op de realiteit aan burgers oplegde ! Het is dankzij het woord ‘utopie’ dat dit inzicht over de macht van taal op massale schaal doorbrak.

Dit soort manipulatie deed zich trouwens niet alleen voor rond het concept utopie. Wie zich toen ‘universitair’ noemde, was eigenlijk helemaal niet met universele processen en systemen bezig. Vooral specialisatie in steeds kleinere domeinen van de werkelijkheid leidde toen immers tot academische
lof en promotie. Hoe minusculer je onderzoeksdomein, hoe meer prestige je genoot ! Zoveel waanzin kunnen we ons vandaag niet meer voorstellen, maar toen ging dat zo. Nanotechnologieën moesten door de menselijke huid heen kunnen dringen; DNA werd ontrafeld; met genen, eiwitten en mytochondriën werd haar hartenlust gebricoleerd; microkredieten voor mensen in armoede werden als een humanitaire weldaad voorgesteld, en ga zo maar door. En toch noemden die specialisten zich universitair. Zo draaiden ze het publiek en het beleid een rad voor de ogen. Zij overzagen het geheel, zo werd gesuggereerd, op hen kon je vertrouwen om in deze complexe wereld orde en structuur te ontdekken, een koers uit te zetten. Wie de euvele moed had de heren – en enkele dames – professoren bij de les te houden door op de catastrofale gevolgen van hun machinaties te wijzen, werd als kwakzalver, ecoterrorist of bendelid gebrandmerkt, ontslagen of voor de rechter gedaagd. Net als ten tijde van Copernicus greep het Regime naar grove machtsmiddelen om zijn positie en paradigma te handhaven. Gelukkig zorgde Thomas More met zijn concept ‘utopia’ voor een kanteling, al was dat vast niet op de manier die hij zich had voorgesteld. Op de sociale media barstte in dat fameuze herdenkingsjaar de storm in alle hevigheid los. Dat een utopische samenleving er toch niet een kon zijn waarin de intellectuele macht in de handen van een kleine elite was ! Dat de universiteiten niet moesten denken dat ze het monopolie hadden op het ontwerp van een betere wereld ! Dat ze moesten ophouden als so sten van het zevende knoopsgat de notie ‘utopie’ naar eigen willekeur en goeddunken te vervormen ! Dat ze zoals Faust hun ziel hadden verkocht voor een academische carrière, en de democratisering van kennis, wijsheid en schoonheid juist in de weg stonden ! Men citeerde Taleb die in zijn klassieker The Black Swan schreef dat ongelijkheid bij kennisontwikkeling een groter onrecht is dan materiële ongelijkheid, omdat daarvan achteraf geen herverdeling mogelijk is. En hoewel de sociale media toentertijd nogal eens last hadden van verbaal moddergooien tussen believers en non-believers of tussen progressief en conservatief, bleek er in 2016 een verbazende eensgezindheid te bestaan : van de utopie moesten de universiteiten met hun specialistische paardenbrillen, hun patriarchale relaties en hun feodale rituelen afblijven !

De publieke opinie was duidelijk niet langer onder de indruk van het weledelzeergeleerde gewauwel van het universitaire gild. Maar ook de studenten begonnen zich te roeren. Zij eisten een onderwijs dat hen zou voorbereiden
op de werkelijke uitdagingen van de wereld, en ze nodigden op eigen initiatief sprekers uit die een relevanter verhaal brachten dan de professoren met hun tunnelvisie. Maar de grote kanteling kwam er toen ook academici zelf zich van de universitaire bijziendheid gingen distantiëren. Ze hekelden het door concurrentiedrang opgejaagde wetenschapsbeleid, en vielen het heersende paradigma van binnenuit aan. Die implosie voltrok zich in de vorm van drie manifesten die in het jaar 2016 gelijktijdig wereldkundig werden gemaakt. Lectuur van wereldklasse was het ! Ik laat u van alle drie even proeven.

Het ‘Gobelijn-manifest’ kwam uit de koker van natuurwetenschappers. Het was genoemd naar een professor uit een populaire Belgische stripreeks, een klein heerschap met imposante snor. Gobelijn overkwam het nogal eens dat
hij in zijn laboratorium een oplossing uitdokterde voor een particulier probleem, maar dat zijn uitvinding ‘per abuis’ via de waterleiding verspreid werd, met een vaak hilarisch disfunctioneren van de hele dorpsgemeenschap als gevolg.
In het manifest betoogden onderzoekers dat ook zij in hun laboratoria op het particuliere niveau werkten, terwijl hun onderzoeksresultaten doorheen ganse populaties werden ‘uitgerold’ of ‘vermarkt’, met alle rampzalige gevolgen van dien. Wie in het lab een medicament of insecticide ontwikkelt dat met vijfennegentig procent zekerheid een ziektekiem verdelgt, is op die schaal een succesvol onderzoeker, zo stelde het manifest. Maar als dat middel op industriële wijze wordt verspreid, belandt de onderzoeker ongewild in de rol van een ‘beestenteler’ die met zijn kweekprogramma
maakt dat enkel nog de vijf percent sterkste ziektekiemen zich kunnen voortplanten ! Grondwater wordt – net als lucht en bodem – een opslagplaats van vervuilers en verstoorders van het leefmilieu. Een door de overheid ge nancierde kweekbak van superresistente bacteriën en niet-consumeerbare levensvormen, van levensbedreigende chemicaliën en nucleair afval, dat was het wetenschapsbedrijf geworden ! Het Gobelijn-manifest hekelde ondermeer de coalitie tussen farmaceutische industrie en ‘geneeskunde’ (de toen gangbare term voor gezondheidszorg), en die tussen petrochemie en ‘landbouw’ (zoals agrocultuur toen werd genoemd). Bij monde van Gobelijn vroegen die academici om brede systeemwaarden – zoals gezondheid, veiligheid en schoonheid – als doel van onderzoek voorop te stellen, in plaats van vooral nancieel gewin. Men wees op de impertinentie van een denken dat alleen ‘meer is beter’ als mantra hanteerde, zonder ook ‘genoeg is best’ voor ogen te houden. Dat bijvoorbeeld auto’s aanvankelijk voor het individu snellere mobiliteit brachten, akkoord, maar toen men daaruit a eidde dat meer auto’s gelijkstaat met meer mobiliteit, ging het natuurlijk grandioos mis. De wegen raakten zo tjokvol dat iedereen stilstond, verkeersslachtoffers bij bosjes vielen en de lucht nog nauwelijks te ademen was. In dat manifest kreeg de collectieve ondersteuning van deugddoende gewoontes en levensstijlen die we vandaag zo vanzelfsprekend vinden, voor het eerst aandacht. De auteurs hadden een systeem voor ogen waarin burgers, buurtcomités, plukboerderijen, sportclubs en dies meer op gelijke voet staan met wetenschappers en ondernemers. Ze wilden ten dienste staan van de utopieën die ook door de Niches werden geschetst ! Het ongenoegen van academici uit de humane wetenschappen vond een uitlaatklep in het Frankenstein-manifest, genoemd naar Mary Shelley’s onfortuinlijke uitvinder. Menswetenschappen, die toch tot een gezondere mens, tot emancipatie en een humanere samenleving zouden moeten bijdragen, hadden in feite egoïstische en narcistische monsters voortgebracht, zo luidde de kernboodschap. Men laakte de tirannie van een economisch denken dat nastreven van eigenbelang als toppunt van redelijkheid voorstelde. Daardoor was iedereen namelijk in de ban geraakt van het zelf- assertieve individu. Mensen die door armoede getroffen waren, moesten maar geactiveerd worden, of bijgeschoold, of moesten de ‘juiste’ attitudes leren. Vergeet niet dat de economie toen privéwinst als doel had, en dat werken gelijkstond met bijdragen tot die winst. In het Engels en Frans sprak men van to employ of employer, wat letterlijk gebruiken betekent. Het Nederlands verdoezelde de ware aard van die arbeidsrelatie in de neutralere term ‘job’. Het creëren van jobs werd als een weldaad voor de samenleving voorgesteld, ook al kwam dat neer op ‘mensen gebruiken om privéwinst te realiseren’ ! En omdat machines zich nu eenmaal gedweeër en met grotere precisie laten gebruiken dan mensen, was de automatisering van productieprocessen onstuitbaar, en verdwenen al die jobs zienderogen. Vandaag weten we dat dit een enorme bevrijding betekende, nu mensen – naast enkele uren op hun jobs – hun tijd en talenten kunnen inzetten voor allerhande cobs, voor collectieve taken en projecten, voor de zorgboerderij, het buurtpensioen, de stadslandbouw, de etstaxi of de coöperatieve kruidenier. Maar in 2016 kon men zich dat nog niet voorstellen. En dus vroeg men, eiste men, ging men de straat op om toch maar ‘gebruikt te worden’ ! Deskundigen ontwikkelden allerlei technieken om mensen ‘bruikbaarder’ te maken, productiever en competitiever. Wie toch de strijd verloor, kreeg een therapie of antidepressivum voorgeschreven, en ook die business boerde goed, want depressies en zelfmoorden tierden welig. Mensen zagen elkaar op de duur alleen nog maar als concurrenten. Sommige politici meenden daarin het ‘buikgevoel’ van de samenleving te ontwaren, als ging het om de menselijke natuur of de volksaard. Bij monde van Frankenstein bekenden menswetenschappers voor het eerst hun eigen medeplichtigheid aan dit danteske systeem, en vroegen ze ruimte voor de ons vertrouwde collectieve en coöperatieve arbeidsvormen die eenieders levenskwaliteit garanderen.

Het meest radicaal was ongetwijfeld het Midas-manifest, waarin economisten hun eigen discipline een spiegel voorhielden. De mythische koning Midas wou dat alles wat hij aanraakte in goud veranderde, een droom die zijn leven en overleven uiteindelijk onmogelijk maakte. Economisten hadden zich gedurende eeuwen met die wens van Midas vereenzelvigd. Alles moest ‘te goude’ of ‘te gelde’ gemaakt worden, en de vraag of het dan nog eetbaar of bruikbaar was, werd als economisch irrelevant van tafel geveegd. Voor de monetarisering van zowat alle levensnoodzakelijke goederen en diensten had de economische discipline spitsvondige nanciële instrumenten en technieken ontwikkeld. Mathematische modellen en algoritmen wekten de indruk dat economische regels natuurwetten waren die je nu eenmaal moest respecteren. Bij het begin van de eenentwintigste eeuw stelden alle regeringen zich als doel die ‘vergeldingseconomie’ weer aan te zwengelen, en zelfs na het uitbreken van de Grote Crisis meende men nog de banken te moeten redden. De economie was dus een monster geworden dat zijn eigen groei als doel had, en mens en planeet als middelen daartoe verslond.

Het Midas-manifest was in feite het eerste academische document dat vroeg om die middel-doel omkering ongedaan te maken, en de economie weer te benaderen als middel voor een breed maatschappelijk doel – zoals ‘het welzijn van allen’. Haar functie moest er opnieuw in bestaan beschikbare resources optimaal in te zetten voor de reële noden van de mensen. Dat kon alleen bereikt worden door innovaties op drie vlakken tegelijk, zo stelde het manifest verder. Ten eerste moesten mensen een kwaliteitsvol leven krijgen door het delen van goederen en diensten in collectieve kringen. In plaats  van consumptie en koopkracht werden ‘sharing’ en ‘cocreatie’ de nieuwe ordewoorden. Ten tweede moesten productieprocessen radicaal circulair worden, en niet langer ‘van wieg tot graf’, van uitzuigen tot vervuilen, van extractie tot dumping. In de derde plaats moesten nieuwe ecomonetaire businessmodellen ontwikkeld worden, zodat bedrijven niet langer verplicht waren te blijven groeien om te overleven. En dus moest er ook voor gezorgd worden dat gemeenschappen en bedrijven hun eigen ruilsystemen konden ontwikkelen. Eigenlijk is het onvoorstelbaar dat men daar niet eerder aan had gedacht ! Doordat voordien banken het alleenrecht op het uitgeven van euro’s hadden, en de euro het enige erkende muntstelsel was, waren banken onaantastbaar geworden. Ze durfden dus enorme risico’s te nemen om de eigen winst te verhogen. En aangezien er geen ander geldsysteem bestond, moest de belastingbetaler wel voor de gevolgen van dat casinogedrag opdraaien. Er was toen gewoon nog geen alternatief voorhanden. Dat we elkaar vandaag met onze eigen gemeenschapsmunt belonen voor geleverde diensten, dat we om de vijf à zes jaar samen ons muntsysteem opnieuw op de lokale noden en talenten afstemmen, en dat we onze belastingen deels in lokale munt betalen, lijkt nu een evidentie, maar was toen nog verre toekomstmuziek.

Ik kom aan het eind van mijn verhaal. Even recapituleren: de term utopie werd in 2016 in de kijker gezet, met verschillende invullingen vanuit Regime en Niches. De eersten stelden ‘meer van hetzelfde’ als utopie voor, ook al had de Grote Crisis toen al ernstige ravage aangericht. De Niches daarentegen beoogden kleinschalige alternatieven die collectief gebruikmaken van talenten en goederen in een buurt of gemeenschap, ondersteund door aangepaste afspraken, formules en clausules. Door die confrontatie kwam de machtspositie van de universiteiten – en van het Regime als geheel – in de vuurlinie terecht. Academici die al lang gefrustreerd waren door het keurslijf waarin de universiteiten hen dwongen, kregen de impuls om zelf ook het paradigma in vraag te stellen, en zetten de implosie van het Regime in gang. Gobelijn, Frankenstein en Midas stonden model voor wetenschapsmagiërs die onbedoeld tot rampspoed bijdroegen doordat hun uitvinding in een particulier domein tot universeel model voor economie en samenleving werd uitvergroot. De drie manifesten toonden vooral het failliet aan van het onderliggende kennismodel, en openden zo de deur voor een meer systemische – dus realistische – kijk op de problemen van deze wereld.

Ik zou tot een voorzichtige conclusie willen komen. In het herdenkingsjaar 2016 ontplooide het woord Utopia voor het eerst zijn volle potentieel. Het liet zien dat elke wetenschappelijke topo-logie, elke beschrijving van de wereld als was het een plaats waarvan de coördinaten precies kunnen worden vastgesteld, in feite een non-plaats is, een u-topie buiten tijd en ruimte. En dat om de simpele reden dat het universum uitdijt, het leven evolueert, de natuur zich ontplooit en de complexiteit steeds op onvoorspelbare wijze toeneemt. Elke ‘plaats-beschrijving’ is dus onvermijdelijk slechts een momentopname, een snapshot van een universum in volle beweging. Dat soort wetenschap staat met andere woorden buiten de historisch verlopende tijd en de uitdijende ruimte, en negeert de systeemdynamieken die zich daarin voordoen. Veel wetenschappelijk onderzoek hanteerde destijds een dermate kleine schaal dat men inderdaad de indruk kon krijgen dat de realiteit in wiskundig becijferbare wetmatigheden te vatten was. De Grote Crisis dwong de mensheid echter om met een grotere schaal rekening te houden, en liet zien dat die zogenaamde wetenschappelijke wetten nauwelijks de geldigheid van een Lilliputter hadden. Door te focussen op een succes in één gebied, had men bovendien de schadelijke effecten daarvan op andere gebieden verdoezeld, of ze simpelweg ‘externaliteiten’ genoemd, te veronachtzamen nevenverschijnselen. De Grote Crisis was een wake-up call die toonde dat elke utopie het welzijn van het hele systeem voor ogen moet houden. Het waren in eerste instantie de Niches die dat inzagen, maar de implosie van het Regime voltrok zich in datzelfde jaar 2016 verbazingwekkend snel. De wereld verbeteren kan dus maar als men erkent dat dit steeds een utopisch proces is, en dat een verbetering hier tot een verstoring elders kan leiden. Bescheidenheid, dialoog, samenwerking en bijsturing zijn daarom aangewezen. Alle wetenschap, zo werd in 2016 duidelijk, is in feite utopisch, schetst hoogstens een minuscule momentopname van het planetaire systeem. Bijsturen van een systeem kan bijgevolg niet

op grond van wetenschap, maar alleen op grond van wijsheid en empathie, gevoeligheid voor het welzijn van het geheel. Maar als elk weten utopisch is, dan verliest de term natuurlijk zijn zeggingskracht. Wit heeft maar betekenis als het te onderscheiden is van zwart. Het woord ‘water’ heeft voor vissen geen betekenis omdat ze zich geen enkel ander milieu kunnen voorstellen.
Zo was vanaf 2016 ook ‘werkelijkheid’ niet langer van droombeeld, ideaal of systeemdoel te onderscheiden … en verloor de term ‘utopie’ dus zijn zin en betekenis.

Ik dank u voor uw aandacht.

Hanna Gobi

Dit bericht delen